HomeKennisbank

IN- en STOP-melders in iTrain uitgelegd

Een trein netjes laten stoppen begint met betrouwbare metingen. Maak onderscheid tussen het spoorstuk dat bezetting detecteert en de functie die de software aan die melding geeft. Alleen een draad “STOP” noemen is nog geen correcte blokinstelling.

Een fysieke melder en een functie zijn verschillend

Een fysieke melder komt van een module-ingang en een contact of detectiesectie op de baan. “IN” wordt in baanplannen vaak gebruikt als herkenbare naam voor binnenkomst; in de Engelstalige iTrain 5.1-handleiding heet de bijbehorende functie Entry. Daarnaast bestaan functies voor remmen (Brake) en stoppen (Stop).

De functie hangt af van de rijrichting. Een melder bij de ene kant van een blok ligt bij rijden in de andere richting aan de tegenovergestelde kant. Maak dus ook duidelijk vanaf welke kant je de trein laat binnenkomen.

Moet ieder blok een aparte STOP-melder hebben?

Nee, er is geen algemene regel dat elk iTrain-blok precies twee melders nodig heeft. iTrain 5.1 ondersteunt verschillende configuraties. Bij Use positions worden rollen afgeleid uit de opgegeven melderposities. Zonder die werkwijze kunnen functies expliciet worden toegewezen. De handleiding beschrijft ook stoppen met één melder en noemt een aparte stopmelder nauwkeuriger in die configuratie.

Voer daarom bloklengte, melderlengten en posities zorgvuldig in. De handleiding onderscheidt bovendien een stoppositie en een marge voor de bruikbare bloklengte.

Maak eerst één meetkaart

Onze praktische aanpak: leg naast de computer één blad met alleen de gegevens van je proefblok. Een klein, controleerbaar voorbeeld helpt beter dan meteen alle opstelsporen tegelijk instellen.

Veld op je meetkaartWat je vastlegt
BloknaamEen vaste, unieke naam, bijvoorbeeld SB01.
RijrichtingEen pijl en de namen van de twee uiteinden.
LengteDe gemeten lengte langs het spoor, met dezelfde eenheid in je administratie.
MeldersNaam, module-ingang, software-adres en de plaats van elke sectie.
Gewenste stopplaatsEen zichtbaar merkteken waar de trein tijdens je proef hoort te eindigen.
ProeftreinLoc, rijrichting en samenstelling, zodat je de proef kunt herhalen.

Test in drie afzonderlijke stappen

  1. Controleer de melding zonder automatische rit. Beweeg het voertuig door de secties en vergelijk de getoonde melders met je meetkaart. Los een verkeerde of ontbrekende melding eerst op.
  2. Doe een rustige proefrit. Gebruik dezelfde trein en houd zicht op het hele proeftraject. Noteer waar de trein daadwerkelijk stopt. Houd de noodstop direct bereikbaar.
  3. Herhaal en vergelijk. Wijzig één instelling per keer. Noteer de oude waarde, de nieuwe waarde en het resultaat. Test de andere rijrichting apart als je die gaat gebruiken.

Voorbeeld van een logregel: “SB01, richting A naar B, trein T01, stopte voorbij het merkteken; eerst blok- en sectiematen opnieuw gecontroleerd.” Schrijf het waargenomen resultaat op, niet alleen “werkt niet”. Zo voorkom je dat je een adresfout probeert op te lossen met een andere remafstand.

Wanneer kun je verder bouwen?

Breid pas uit wanneer je de eerste proef kunt herhalen en begrijpt welke melding bij welk spoorstuk hoort. Test vervolgens ook andere treinsamenstellingen die je wilt gebruiken. Een goed resultaat met één losse loc bewijst nog niet dat iedere langere trein op dezelfde baan goed rijdt.

Gebruik je K-rail, lees dan ook hoe je één contactsectie opbouwt en controleert. Voor de ruimtelijke indeling volgt daarna het artikel over een bereikbaar schaduwstation.

Officiële bronnen

Bronnen geraadpleegd op 8 oktober 2026. De stappen, meetkaarten en rekenvoorbeelden zijn praktische uitwerkingen van SpoorSlim. Volg voor aansluitingen de handleiding van jouw apparaat.